Achtergrond

Leerstijl

Een leerstijl wordt gedefinieerd als een relatief constant cognitief patroon voor het opnemen en verwerken van kennis en het oplossen van problemen (bijvoorbeeld het concept van zintuigen – Gardner), toegang tot cognitie (bijvoorbeeld op basis van casuïstiek of antipatief-gestructurerend – Tietgens/Weinberg); motivatie-psychologie (houding naar jezelf , succes-georiënteerd = vol zelfvertrouwen of mislukking-georiënteerd = voorzichtig, geen fouten riskeren – volgens Heckhausen

De definitie van leren die aan de basis ligt van de Handleiding voor Trainers komt voort uit de sociale psychologie. Professor Geier en professor Downey – de auteurs van het Leer- en Onderwijstijlmodel – ontwikkelden deze profielen om leerkrachten te helpen om hun eigen proces van leren en onderwijzen te verbeteren. De eerste versie van het leerstijlprofiel is ontwikkeld aan de Universiteit van Riverfalls, Wisconsin (VS). Dit onderzoek werd voortgezet op particuliere scholen. Deze scholen die hun leerlingen als klanten beschouwden, wilden zichzelf onderscheiden van hun concurrenten. De efficiëntie van het onderwijssysteem moest zeker gesteld worden door actief klanten te werven. Om de nieuwe klanten aan te trekken hadden deze scholen een onderscheidend kenmerk nodig. Zo’n Unique Selling Point werd de focus op de individuele persoon in het leerproces. Daarom besloot het Rasmussen College in Minnesota om professor Geier te betrekken. Hij was bekend in Minneapolis en daarbuiten vanwege zijn onderzoek naar gedrag in specifieke situaties. Professor Geier heeft een persoonlijkheidsmodel ontwikkeld dat is gebaseerd op vier gedragspatronen (Dominantie, Initiatief, Stabiliteit en Correctheid). Op basis van deze vier gedragspatronen werden 20 gedragsprofielen onderscheiden. Het onderzoek betrof de vraag in hoeverre er – naast individueel gedrag – ook individuele leervoorkeuren zouden zijn.

Kwalitatief onderzoek naar de stijlen van het persolog® Leerstijlprofiel

Om het individuele leergedrag te kunnen onderzoeken, moesten de testdeelnemers het Persoonlijkheidsprofiel invullen om hun gedragsprofiel te kunnen vaststellen. Daarna werden er hypotheses opgesteld met betrekking tot hun leergedrag. De testpersonen werden vergezeld door observanten om te kunnen vaststellen in hoeverre er leervoorkeuren konden worden gekoppeld aan clusters van gedragsprofielen. Vanuit deze observaties die waren gebaseerd op de methode van Bales, werden Q-sorteringen ontwikkeld. Ook in andere universiteiten en colleges werd onderzoek gedaan.

In een tweede stap werden testpersonen met gedragsprofielen opnieuw ingedeeld overeenkomstig hun gedragsprofiel. Daarna kregen zij stellingen voorgelegd zoals ‘Het is belangrijk voor mij dat ik direct het geleerde kan toepassen in de praktijk’. Daarbij werd beoordeeld of er significante verbanden gelegd konden worden, bijvoorbeeld of mensen met hetzelfde gedragsprofiel ook dezelfde leervoorkeuren hadden.  Dit onderzoek toonde aan dat er 8 significante leerstijlen voortkomen uit de 20 gedragsprofielen.

Ondersteuning door de Leerstijl- en Onderwijsstijlprofielen

De kennis over leren, leertypes en de Leer- en Onderwijsstijlen helpt gebruikers om te reflecteren op de volgende zaken: Wat zijn mijn voorkeurspatronen bij het leren? In welke omgeving vind het leerproces plaats? Welke de technieken en strategieën hebben mijn voorkeur of welke cognitieve patronen pas ik toe?

Om succesvol te kunnen leren is het bepalend hoe mensen omgaan met hun eigen leerpatronen en de toepassing van hun leerstrategieën in hun dagelijks leven. Kijken naar de individuele Leer- en Onderwijsstijlen betekent het herkennen van het individu en de eigen verantwoordelijkheid van de leerling.

De profielen (in de literatuur vaak beschreven als inventariseringen) helpen om de positie te bepalen en toekomstige leer- en ontwikkeldoelen vast te doelen. Hans-Dieter Haller, docent aan de Pedagogische Hogeschool van Göttingen (Duitsland), beschrijft het in zijn Inleiding op de algemene didactiek (2004) als volgt:

Een belangrijke ervaring in het gebruik van meetinstrumenten voor het vaststellen van de individuele Leer- en Onderwijsstijlen is de brede toepassing wat betreft informatieverwerking. De hersenen vormen uitgebreide netwerken die bestaan uit overcomplete verbindingen. Als de betreffende persoon zich hiervan zelf bewust gaat worden, kan dat het startpunt zijn voor een (groeps)discussie waarin ervaringen betreffende leergedrag worden uitgewisseld en tot reflectie leiden.

Doorgaande ontwikkeling

Er blijft meer onderzoek nodig en een verdere ontwikkeling van dergelijke profielen. Tegelijkertijd kunnen we ook een pragmatische invalshoek kiezen. Veel elementen van ons brein zijn actief tijdens het leerproces. De meeste docenten kennen deze vanuit hun eigen observaties, maar – tot dusver – zijn ze niet opgenomen in de concepten voor leren en onderwijzen. Momenteel ligt de belangrijkste focus van de wetenschap op de onbewuste processen in de hersenen. Daarom is het belangrijk voor docenten en leerlingen te werken met wat beschikbaar is. Daarvoor zijn veel mogelijkheden:

Een goede leersituatie inrichten, Leerbelemmeringen en leerbeperking bespreken, Het vermogen van leerkrachten om te presteren ondersteunen, Docenten en leerlingen motiveren, Echte feedback over de leerinhoud en het leergedrag, Erkenning van wat is bereikt en succesvol in leersituaties, Rekening houden met de omgeving (familie, relaties e.d.)